Beelddenken vs taaldenken

Elk kind wordt geboren als beelddenker

Een baby kent taal nog niet, maar leert gaandeweg praten, waarbij klanken gekoppeld worden aan beelden. Het bed waar je in slaapt hoort bij de klanken b-e-d. Op een gegeven moment roept de bekende klank (bed) een bepaald beeld op (bed). Doordat kinderen dit beeld weer kunnen oproepen, zijn ze in staat om het woord dat bij een bepaald voorwerp hoort, te koppelen aan het beeld wat zij ervaren hebben. Wanneer ze deze vertaalslag kunnen maken, horen ze pas echt wat er wordt gezegd. Beeld is dus nodig om taal te leren.

Kinderen die aanleg voor denken in taal hebben, leren praten door klanken die zij van volwassenen horen te imiteren en passen al lerende het ordeningsprincipe van volgorde toe. Wat bijvoorbeeld een volwassene vertelt komt in volgorde overeen met hoe zij het vertellen, op volgorde van tijd (taaldenken). Vanaf het 4e levensjaar ontwikkelt een kind een voorkeursleersysteem; een visuele cognitieve leerstijl of een verbale cognitieve leerstijl. Rond het 10e levensjaar is dit proces voltooid en kan je zeggen of iemand een beelddenker of taaldenker is.

Beelddenken, het visuele cognitieve leersysteem, werkt vanuit het geheel met een voorkeur voor beelden. Taaldenken, het verbale cognitieve leersysteem, werkt vanuit de analyse met een voorkeur voor taal. Hieronder de verschillende leerstijlen:


bron: www.leraar24.nl

Beelddenken

Visuele leeringang (ogen)

Vanuit het geheel

Associatief

Overeenkomsten

Logische verbanden (helikopterview)

Inzicht en doorzicht

Taaldenken

Auditieve leeringang (oren)

Vanuit de analyse

Tijd en volgorde

Verschillen

Logische conclusies

Reproduceren